fragmenten

Fragment uit Roeshoofd hemelt

roeshoofd zou zo graag een vrouw ombrengen
maar niet voordat hij haar heeft verkracht
haar leed zou hij niet zinloos verlengen
voor verkrachting en slachting staan één nacht
probleem is waar haal je zo’n vrouw vandaan
en hoe komt hij zelf buiten de muren
hij zou ver weg van de inrichting gaan
uit consideratie met de buren

als hij mocht kiezen dan werd het máxima
of anders een andere prominent
hij heeft wel bepaalde criteria

hij wil geen vrouw die hij persoonlijk kent
soms zwijmelt hij over een moslima
die hij tot haar stervensmoment verwent






Fragment uit Tot hier en zelfs verder

Niet gekend
Het oog van de lens


Van alles wat ik van haar maken kan is de foto
nog het meest in zichtbaar zingbaar stof gehuld.
Ik beloof plechtig dat ik de belofte van de camera.

En als ik dan naast haar lig en zij me vragen gaat
of ik voor even haar wil zijn, zeg ik ja en zeg ik
ja en geef een meisjeskus op haar meisjesoog.
Iemand met handschoenen verft mij rode lippen,
kneedt mij borsten, streelt mijn rondingen.
Ik mag ons beider foto zijn maar vooral model.

De beloofde fotograaf blaast het stof van de lens
en kucht zich de foto in, ik verslik me, 'excuseer',
houd mijn gehandschoende hand voor mijn mond,
veeg mijn ongekuste lippen af, kus het bestofte oog.

***

Stoort het
als ik de radio iets harder van je leen
en wat eten en ik vroeger wegga?
Het geeft toch niet dat ik hier
iets neerzet om iets anders en
een tijdje wegblijf en een volgende keer
hetzelfde en iemand op te halen?
Is het lekker
als ik dit en zachtjes daar
of misschien wel niets te doen?
En vind je het wel goed
dat ik mij vermom als zuidenwind en
alle smalle schouders op het strand
aanraak?






Fragment uit Door eigen hand - Zelfmoord en de nabestaanden

De eeuwigheid, het ogenblik
Smart duurt een eeuwigheid, de dood maar een ogenblik.
Jean-Baptiste-Louis Gresset

Ieder jaar proberen in Nederland naar schatting zo’n dertigduizend mensen zich van het leven te beroven. Van om en nabij de vijftienhonderd mensen slaagt die poging. Ter vergelijking: het aantal dodelijke verkeersslachtoffers is jaarlijks ongeveer duizend. Op diverse manieren, onder meer via tv-spotjes en door het veiliger maken van bepaalde risicoplekken in het verkeer, probeert de overheid dat aantal verkeersslachtoffers te verkleinen. Er bestaat, terecht, weinig discussie over nut en noodzaak over dat overheidsstreven. Maar de groep van vijftienhonderd zelfmoordenaars lijkt, afgaand op politiek en media, niet te bestaan. Veel landen in Europa kennen een door de politiek gesanctioneerd nationaal plan voor zelfmoordpreventie. In die plannen staat vaak een aantal praktische beleidsvoorstellen. In Frankrijk zijn bijvoorbeeld op de meest risicovolle plekken langs het spoor van de hogesnelheidstrein hekken geplaatst die het moeilijker maken om de treinrails te betreden.
In 2004 werd in ons land het Nationaal Actieplan Suïcidepreventie opgesteld en aangeboden aan ‘de politiek’. Dat initiatief is tot nog toe zonder concrete beleidsresultaten gebleven. Terwijl in het verkeer voor de automobilist vrijwel niets aan het toeval lijkt te worden overgelaten, overheerste tegelijkertijd in Nederland kennelijk het idee dat het recht van de kandidaat-zelfmoordenaar zwaarder weegt dan de plicht om zo’n zelfmoord te voorkomen of in ieder geval in praktisch opzicht te bemoeilijken. Zo’n praktische bemoeilijking wordt gezien als een vorm van doorgeschoten betutteling. Ethica en VVD-politica Heleen Dupuis motiveerde het zelfbeschikkingsrecht van de aspirant-zelfmoordenaar eens als volgt: ‘Het leven is het privé-bezit van iedereen afzonderlijk. Iedereen heeft het recht over dat eigen leven te beschikken.’
In theorie is dat een nobel uitgangspunt, in de praktijk blijkt het door Dupuis en anderen benadrukte recht niet altijd in het voordeel te zijn van mensen die door hun – meestal tijdelijke – psychische gesteldheid een verwrongen beeld hebben van zichzelf en hun leven. Het verwrongen zelfbeeld maakt deel uit van hun ziektebeeld of depressie. Vaak worden de obsessies, de zelfverachting en soms ook de wanen van de behandelbare patiënt verward met de rechten van het handelingsbekwame individu.
Kun je de rijkdom aan preventiemethoden ter vermindering van het aantal verkeersdoden vergelijken met het tekort aan passende preventie bij zelfmoord? Wie achter het stuur gaat zitten, doet dit om van a naar b te gaan en niet omdat hij dood wil. In Loden last beweren psychiater Bram Bakker en journalist-schrijver Bram Hulzebos met zoveel woorden dat ook veel aspirant-zelfmoordenaars van a naar b willen. A staat voor de schijnbaar onoverkomelijke depressie, de persoonlijkheidsstoornis of het samenstel ven levensproblemen, en b behelst de ontsnapping aan alles wat a representeert. Aspirant-zelfmoordenaars zien die ontsnapping in de dood – of liever gezegd: in het idee dood te zijn. Maar wil iedere aspirant-zelfmoordenaar inderdáád dood? Op grond van wetenschappelijk onderzoek door derden en op basis van hun eigen professionele ervaringen met zelfmoordenaars menen Bakker en Hulzebos dit laatste te mogen betwijfelen. Ze citeren in dat verband Rogi Wieg, die in de autobiografische roman Kameraad scheermes over zijn zelfmoordpogingen schreef. In een interview stelde Wieg: ‘De zelfmoordenaar wil niet dood, hij wil een ander leven.’
Die generalisering nemen Bakker en Hulzebos in Loden last niet volledig over, maar ze benadrukken wel dat een significant aantal aspirant-zelfmoordenaars de facto niet een eind wil maken aan hun leven, maar aan een bepaalde ondraaglijke geestesgesteldheid of een bepaalde toestand in hun leven. Bakker en Hulzebos menen dat er andere manieren dan zelfdoding bestaan om die ondraaglijkheid weg te nemen of te verminderen. Betere medicatie, bijvoorbeeld. Beter medisch toezicht, in het bijzonder betere noodopvang. En nogmaals: betere preventie.



Fragment uit Het vijfde seizoen

De wijdverbreide veronderstelling dat in een beetje schrijver een gekwelde neuroticus huist, heb ik nooit willen degraderen tot een naïeve romantisering, hoe versleten het beeld ook is. Er komt bij dat ik in de praktijk liever te maken heb met zo’n soort schrijver dan met de eeuwig frisse en uitgebalanceerde fitnessauteur die geneigd is een tikje neer te kijken op zijn getourmenteerde collega’s.
We moeten natuurlijk een onderscheid maken tussen de beroepsneuroot die zijn hypersensitiviteit bij gelegenheid als een natte lap in je gezicht smijt, en de schrijver voor wie het verstoorde gemoed echt een kwelling is, en geen verkapte zelffelicitatie. De eerste soort zet die gekweldheid vaak in als middel om de aandacht af te dwingen. Deze typen werken, om maar iets te noemen, op feestjes met ijzeren volharding toe naar een extreem extraverte dronkenschap. In het ergste geval zwaaien ze op een gegeven moment uitzinnig heen en weer aan een plafondlamp, en als ze zich ervan hebben vergewist dat alle aanwezigen de diverse stadia van onttakeling hebben gevolgd, nemen ze met brede gebaren afscheid, om vervolgens buiten ergens ostentatief ter aarde te storten, bij voorkeur in een greppel of een sloot. Soms roepen ze hun lieve moedertje aan, maar meestal kermen ze dat het allemaal hun schuld niet is, maar dat ze nu eenmaal lijden, lijden… Zoiets kan heel dramatisch zijn en duiden op een niet te onderdrukken manische inslag, maar meer dan eens heb je als toeschouwer de indruk dat hier iemand druk doende is zijn zelfgewenste mythe bij wijze van geurvlag te verspreiden. Vaak is de energie die dit type kunstbroeder in zijn openbare instortingen stopt omgekeerd evenredig aan de uren die hij aan zijn werk besteedt.
Tegengesteld aan dit type is de schrijver die ieder blijk van een hypernerveus gestel uit alle macht verbergt. La folie, de neurose, de melancholie – het is zeker niet iets om je voor te schamen, maar het wat minder uitbundig ingestelde type beschouwt het vertoon ervan niettemin als een vernedering, een capitulatie.
(…)

Van oudsher hebben kunstenaars en schrijvers zichzelf en elkaar geballoteerd op de al dan niet latente aanwezigheid van wat de dichter Michael Drayton in de zestiende eeuw ‘that fine madness’ noemde. In Plato’s Phaedrus beweerde Socrates dat iedere creatieve mens onvermijdelijk door de waanzin van de muzen is aangeraakt. In de Renaissance stelde de Italiaan Marsilio Ficino dat voor iedere kunstenaar een tijdelijke staat van krankzinnigheid inherent was aan het scheppingsproces. Sinds de Romantiek lijkt deze folie sacrée bijna op een soort kwaliteitsimprint: de ware creatieve mens pleegt roofbouw op zijn gemoedsleven. Robert Burton formuleerde het in The Anatomy of Melancholy (1716) op de korst mogelijke manier: ‘All poets are mad.’ Het staat er bijna als eerste premisse van een syllogisme.

(…)

Andrew Solomon en Rogi Wieg zijn gepreoccupeerd door de vraag of de geesteszieke mens ooit en masse genezen kan worden verklaard dankzij nieuwe medicatie. Beide schrijvers lijken te geloven in een psychofarmaceutica die zich in hoog tempo zal blijven ontwikkelen den die steeds verfijnder zal worden, met als eindpunt mogelijk een wereld waarin geestesziekte blijvend en feilloos te behandelen zal zijn.

(…)

Mijn lijkt het je reinste anti-utopie, een wereld waarin het voorgoed een autoloze zondag van de geest is, schoon en stil, maar ook steriel en eenvormig – een wereld om acuut gek van te worden. Dan nog liever de telkens terugkerende geseling van het gemoed; dan nog liever de herhaalde tuimeling in het vijfde seizoen.






Fragment uit Het wilde westen

Jennen, treiteren, uitdagen

In de Volkskrant omschreef een politicoloog de favoriete activiteiten van de hooligan als 'elkaar jennen, treiteren en uitdagen'. De bewoordingen leggen onbedoeld de jarenlange onverschilligheid over de voetbalterreur bloot.
Officier van justitie:'U stak het slachtoffer Carlo Picornie neer op het grasland bij Beverwijk? Hoe zou u dat zelf omschrijven?'
Verdachte:'Dat wil ik geen geweldpleging of doodslag noemen, edelachtbare. Ik was hem gewoon aan het jennen met mijn mes. Daarna treiterde ik hem bij zijn halsslagader. Je mag iemand toch wel uitdagen?'
Officier:'Natuurlijk mag dat. Maar wilt u nooit meer naar bioscopen bellen en lelijke dingen zeggen?'
Het moeten merkwaardige tijden zijn voor de Nederlandse hooligan. Je vermaakt je sinds jaar en dag met het molesteren van je tegenstanders, de sloop van NS-treinen; met messentrekken en intimidatie, bedreiging van voetbaljournalisten, vernielen van auto's, cafés, en niet te vergeten met het oproepen tot haat en geweld. Niemand die je ooit écht een strobreed in de weg heeft gelegd. Hooguit loop je per abuis eens tegen een taakstrafje op, zodat je van een doorgetherapeutiseerde rechter een week lang auto’s moet wassen of de krant moet rondbrengen. Maar dan bel je als trotse bezitter van een crimineel curriculum vitae eens een keer een Utrechtse bioscoopexploitant op met de mededeling dat je de boel komt verbouwen zodra de 'jodenfilm' over Ajax wordt vertoond, en wat gebeurt er? Dán is ineens heel weldenkend Nederland in rep en roer. Alsof de Hakkelaar na een loopbaan van drugshandel, wapenbezit, liquidaties en ontvoering pas een kritieke grens passeert wanneer hij de uitbater van de Godfather IV met een oorveeg dreigt.
Zolang hooligans elkáár naar het leven staan is er kennelijk niets aan de hand. Dan leggen politie en justitie rondom voetbalvelden hagen van containers aan, sleuven van kooien waardoorheen de bloeddorstige supportlegers moeten worden geleid onder toezicht van stewards en ME'ers die een kruidenvrouwtjescursus 'Conflictbeheersing’ hebben gevolgd. Krakers, EU-demonstranten en ander rapaille zijn er om weg te knuppelen, de hooligan moet je 'begeleiden'. [..]
Ad Melkert waarschuwt nog één keer. Je voelt de siddering langs het ruggenmerg van de hooligan gaan.

Fragment uit Chaos en Rumoer

Nadat Otto Vallei zich zes maanden lang iedere dag in zijn werkkamer had opgesloten om aan een roman te werken, biechtte hij zijn vrouw Karin op dat hij nauwelijks vorderingen had gemaakt. En zelfs dat was een zonnige voorstelling van zaken. In zekere zin was hij niet eens aan die roman begonnen.
Karin reageerde tamelijk laconiek op Otto’s bekentenis, wat hem eerst verbaasde, daarna opluchtte en uiteindelijk zachtjes kwetste. Hij kon natuurlijk niet van haar verlangen dat ze net als hij diep ontgoocheld was, maar een minimum van solidaire somberheid had hij toch wel van haar verwacht. In plaats daarvan was ze alleen maar nieuwsgierig. Waarschijnlijk kon ze het zich niet goed voorstellen dat iemand in zes maanden tijd zó weinig kon uitvoeren. Zelf kon Otto
het zich achteraf ook niet goed voorstellen.
‘Heb je echt niets op papier gekregen?’ vroeg ze. ‘Niet eens één zin, zoals Jack Nicholson in The Shining?’
Hij gaf haar tien a-viertjes waarop hij die ochtend iets schamels had uitgeprint. Hij had de computer het aantal woorden, regels en zelfs lettertekens laten berekenen.
‘Zesduizendwoordenennogiets.Vijfhonderdeenentwintigregels. Een gruwelijke oogst na een halfjaar. Vind je niet?’
De dagen na zijn bekentenis klaagde Otto dat hij niet aan het werk kwam, omdat hij allerlei verplichtingen had: lezingen, recensies schrijven, dat soort dingen. Bovendien ging iedere dag wel een paar keer de telefoon. Hij had geen leven zo.
De telefoon was sinds jaar en dag een van zijn ergste vijanden. Niets was funester voor het heilig vuur dan het ijzingwekkende gerinkel. Iedere keer dat de telefoon ging, trof het geluid hem als een
goed doordachte poging hem in een hoek te drijvenwaaruit niet viel te ontsnappen. Niet opnemen was onmogelijk; hoe langer het gerinkel aanhield, hoe meer dwang erin doorklonk. Je moest opnemen. Je móest. Anders was je slap en laf. Slap en laf en bang. Dus nam je op.
En er veranderde niets. Je blééf slap en laf en bang – met dit verschil dat aan de andere kant van de lijn iemand aan je stem kon horen hoe slap en laf en bang je was. Een antwoordapparaat leek het perfecte redmiddel. Maar vrijwel iedereen die een boodschap insprak, eindigde met het verzoek om terug te bellen. Zo schoot je nóg niets op. Als het aan hem had gelegen, waren Karin en hij indertijd telefoonloos gaan samenwonen. Maar kennissen hadden hem bezworen dat je dat
een vrouw niet kon aandoen.
Uiteindelijk bleek Otto’s bekentenis over zijn beschamende improductiviteit toch nog ergens goed voor te zijn, want Karin en hij bereikten een compromis inzake de telefoon. Het toestel ging niet de
deur uit – dat weigerde Karin – maar wel vroegen zij een geheim nummer aan. Verder annuleerde Karin namens Otto, die zich al drukbezet en geclaimd voelde met één afspraak in het verschiet, de
twee lezingen die hij had staan voor de komende maanden. Zo vielen ook de laatste drukkende verplichtingen weg, en Otto had goede moed dat het schrijven alsnog zou gaan lukken.
Maar toen de telefoon stil bleef en zijn agenda bevrijdend leeg was, begon hij zich te ergeren aan het zoemen van de ventilator in zijn computer. Bovendien was het licht in zijn werkkamer niet goed.
Tussen tien en twaalf uur viel een hinderlijke streep ochtendlicht diagonaal over zijn tafelblad en ’s middags scheen de zon vol op het raam. Zo zou het niemand lukken iets van belang te schrijven. En hij moest ook nodig een nieuwe bureaustoel.
Otto bevestigde een donkerblauw rolgordijn voor het raam. Nu kwam er een onheilspellende duisternis in zijn werkkamer te hangen. Dat was ook weer niet de bedoeling. Hij kocht tweedehands lamellen. Maar die maakten een hinderlijk flappend geluid wanneer het tochtte in huis.
’s Nachts werken ging hem evenmin goed af. Overdag had hij er geen last van, maar na elf uur ’s avonds stoorde het hem dat de buizen in de badkamer soms suisden. Het geluid klonk precies door tot de plek in de kamer waar zijn bureau stond. In het weekend speelde de buurman schuin boven – Otto en Karin woonden in een driekamerflat in Buitenveldert –de halve middag klarinet. Je wist van tevoren nooit of de buurman voor de zaterdag- of zondagmiddag zou kiezen. Speelde vriend buurman zaterdag, dan was Otto de dag erna nog te verontwaardigd over zoveel burengerucht om rustig te kunnen werken.Werd het zondag, dan had hij zaterdag voor niets in angstige spanning gezeten, onzeker of de stilte nou wel of niet aan flarden zou worden gemusiceerd.
Soms waren de omstandigheden ideaal. Stil huis, mooi daglicht. Maar telkens wanneer hij op het punt stond om met aarzelende vingers het toetsenbord van zijn tekstverwerker te beroeren, was het
alsof er een schaduwgedaante in hem opstond die hem van binnenuit bij zijn polsen pakte en hem honend begon toe te fluisteren. Dat hij het niet kon, schrijven. Nooit hád gekund. Dat al zijn pogingen hopeloos en meelijwekkend waren. Dat hij maar beter kon stoppen. Echt waar. Stop er toch mee, vriend...